Artikelen

75 jaar Memento Mori

Op 18 mei 1928 waren in het café van de weduwe A. Snijder een 20-tal personen uit de buurtschap Steenbergen bijeen om te komen tot de oprichting van een begrafenisvereniging. Het was niet voor het eerst dat er gepoogd werd een dergelijke vereniging in het leven te roepen. Maar oude gewoonten, de burenplichten met alles wat daarmee verbonden was, waren nog te sterk.

In die burenplichten - op z'n Drents 'naoberplichten' - ging men er van uit dat niemand verlegen mocht zitten, maar geholpen moest worden. Immers, een ieder kon in een positie komen te verkeren dat men hulp nodig had. 

En de beste verzekering dat die hulp ook zou komen was hulp te verlenen aan anderen als die daar behoefte aan hadden. Hoeveel naobers betrokken waren bij een sterfgeval in de buurtschap was verschillend, maar over het algemeen toch zo'n 10 tot 12. 

Alle taken werden door de buren, zowel mannen als vrouwen verricht. Allereerst kwamen de naaste buren naar het sterfhuis om de dode te 'verkleen', af te leggen en vervolgens werden de diverse taken verdeeld of verloot. De timmerman moest opdracht krijgen de kist te maken, van het overlijden moest aangifte gedaan worden op het gemeentehuis en de klokketoren werd geluid. De dode moest 'verlud' worden, een gebruik dat nog uit voorchristelijke tijden dateerde. Met lawaai werden kwade geesten verjaagd, die de eeuwige rust van de dode zouden kunnen verstoren. De kerk had aan dit gebruik een christelijk tintje gegeven: de door de geestelijkheid gezegende kerkklokken waren een afweermiddel tegen de duivel.

Een belangrijke rol was weggelegd voor de 'groeveneuger' of leedaanzegger. Deze ging met een zwart zijden doekje om de hals en met een lange stok in de hand lopende familie en bekenden de doodstijding brengen. Veelal moesten hierbij grote afstanden afgelegd worden. Waar hij kwam kreeg hij een borrel en soms ook koffie met stoet. Pas in de loop van de 20e eeuw werd het gebruikelijk rouwbrieven of rouwkaarten te verzenden.

Ook op de dag van de begrafenis waren het de naobers die alle taken op zich namen. De buurvrouwen maakten koffie en troffen voorbereidingen voor het begrafenisrnaal, wat na de begrafenis genuttigd werd. De vier naaste buren hadden een boerenwagen gereed gemaakt waarop de kist werd geplaatst. Deze wagen werd getrokken door vier zwarte paarden.

Op deze wagen namen in vroeger dagen ook een paar naaste vrouwelijke verwanten van de overledene plaats. De overigen volgden de wagen lopende in een vaste volgorde: eerst de familie, daarna de overigen, en eerst de mannen en vervolgens de vrouwen. De begrafenisstoet volgde vanuit de buurschap een vaste route naar de begraafplaats. Deze zogenoemde ree- of dodenweg moest altijd door de buurtbewoners in een zodanige staat worden gehouden dat 'de vier de vijfde' konden vervoeren. 

In Zuidwolde zijn de Oosterweg -in de volksmond 'Doodiek' - en de Traondiek voorbeelden van dergelijke reewegen.

Wanneer men na de begrafenis weer in het sterfhuis teruggekeerd was stond daar het begrafenisrnaai op tafel. Gebruikelijk was dat de gewone begrafenisgasten plaatsnamen op de deel van de boerderij. De familie nam plaats in de grote keuken. Aangezien de familie er niet op aangekeken wilde worden dat er niet genoeg was voor iedereen, werden er enorme hoeveelheden voedsel opgediend: bruine bonen of capucijners met worst en ham, aardappelen en stokvis, rijstebrij met boter en bruine suiker alsmede brood. Wat over bleef was daags erna voor de armen.

In het begin van de vorige eeuw bleken veel van de begrafenisplichten een steeds zwaardere last te worden voor veel naobers. In een tijd dat vrijwel iedereen een (deel van het) bestaan vond in de landbouw konden de gebruiken gehandhaafd worden, maar geleidelijk kwamen er steeds meer 'burgers' in de buurtschappen. Ook werd het steeds meer als een vereiste ervaren dat bij de begrafenis alles correct verliep. En wanneer de begrafenis geregeld en uitgevoerd moest worden door naobers die dit soms slechts bij grote uitzondering deden, was de kans daarop levensgroot aanwezig.

Wat in de buurtschap Steenbergen de directe aanleiding geweest is om te komen tot een begrafenisvereniging valt uit het notulenboek van de vereniging niet te achterhalen. Wel kan uit de samenstelling van het eerste bestuur opgemaakt worden dat het vooral wat we maar 'burgers' zullen noemen geweest zijn die het voortouw tot de oprichting hebben genomen.

Voorzitter werd postkantoorhouder D. Hoogenkamp, G. Staats, commies werd secretaris, terwijl timmerman C. Sloots als penningmeester optrad.

Kapper Berend Jonkers zou als voorganger de begrafenissen leiden terwijl J. Coers het bestuur completeerde. De aanschaf van jassen voor de voorganger en de dragers viel tegen. De eerste offerte van kleermaker Pruntel kwam uit op fl. 23,50 per stuk, maar later bleek dat dat ft. 40,00 moest zijn. Besloten werd toen de levering van de jassen te gunnen aan Mos, die een lagere offerte uitbracht. Ook hoeden, een halskoord en een nestelgarnituur werden aangeschaft.

Ook werden tarieven vastgesteld: voor het oppassen bij de paarden bij begrafenissen fI. 1,00, het klokluiden kostte fI. 2,50 en de bode die de kwitanties inde kreeg 2 tot 5 cent per kwitantie. De inleg die betaald moest worden varieerde, aangezien de vereniging een klassensysteem hanteerde. In 1956 werd dit systeem afgeschaft.

Een eigen lijkkoets werd gehuurd van de Diaconie van de Nederlands Hervormde Kerk. Deze koets was gestald bij de 'vader' van het Armwerkhuis aan de Meppelerweg. Deze beschikte ook over de zwarte paarden die de koets moesten trekken. Al naar gelang de welstand kon men door één of twee paarden getrokken de laatste tocht maken. De lijkkoets was in 1956 verleden tijd. In dat jaar werd door de drie garagehouders Wemmenhove, Zandman en Wink gezamenlijk een lijkauto in gebruik genomen. Het gebruik van deze auto kostte per begrafenis fI. 45,00. Later had Zandman dit vervoer en daarna Van der Haar.

Inmiddels was de begrafenisvereniging flink gegroeid. Al heel spoedig na de oprichting sloten zich de buurtschappen De Weide, Vuile Riete, Veeningen, Ten Arlo en Linde aan. In 1938 waren al 300 gezinnen lid en in die periode had Memento Mori 78 begrafenissen uitgevoerd. Daaronder waren er 25 van kinderen.

Een belangrijke uitbreiding onderging de begrafenisvereniging in 1947 toen de buurtschap Kerkenbosch toetrad. De directe aanleiding hiertoe was de wijze waarop de naobers omgegaan waren met het kisten van de overleden beheerder van het Landbouwbankfiliaal, Schlüter. Naar de mening van de familie was de overledene scheef in de kist gelegd waarop één der afleggers over de kist kroop om de dode recht te leggen.

Een belangrijke mijlpaal voor Memento Mori was het gereedkomen van de aula bij het kerkhof in 1975. In de loop der jaren is deze aula een aantal keren uitgebreid en gemoderniseerd. Ook het aantal leden is enorm gegroeid: van 20 in 1928 naar meer dan 3500 nu.

Bron: Mandielig 2003-1 Oudheidkamer Zuidwolde